Beleving
We waren bij één van de vele ‘Iepenloftspullen’ die Fryslân ook deze zomermaanden rijk is.
Daarvoor moesten we op het terrein van ‘it âld molkfabryk fan Burgum’ zijn, bij de voorstelling met de titel ‘Schindler’s List’.
Het terrein bij de oude fabriek was omgetoverd tot het Joodse Getto in de Poolse stad Krakau in de oorlogsjaren.
Eigenlijk begon de voorstelling al toen we het terrein nog op moesten komen, doordat we in groepen onder begeleiding van een ‘Duitse soldaat naar binnen werden gebracht. We kregen daar op barse toon een identiteitsbewijs uitgereikt en moesten om onze bovenarm een witte band met daarop een blauwe davidsster vastknopen. Wij, het publiek, werden behandeld als Joodse mensen die allemaal in één gedeelte van de stad moesten wonen. Daarbinnen waren de acteurs een stuk vriendelijker, maar zij speelden dan ook de rol van mede-Joden. Het was even schakelen, maar ik begon me zo te verplaatsen in de Joden van toen in Krakau. Toen even later een Duitse soldaat de tribune opstormde en mijn buurman vroeg zijn papieren te tonen kon deze zijn joodse naam niet noemen. Dat leverde hem een waarschuwing op.
Toen heb ik toch even snel gekeken hoe mijn achternaam was: ‘O ja, ik ben vanavond Salomon Goldblatt’.
Er speelde zich voor onze ogen een indrukwekkend iepenloftspul af, met de Duitser Oscar Schindler, die eigenlijk helemaal niet zo principieel was, maar vooral geïnteresseerd in geld verdienen. Gaandeweg trok hij zich toch het lot van zijn Joodse fabrieksarbeiders aan en zo werd hij steeds meer de man die zich inzette voor deze mensen. Uiteindelijk redde hij ruim 1100 Joden van de dood. En hij had ze aanvankelijk vooral in dienst genomen, omdat het goedkope arbeidskrachten waren.
Het stuk eindigde ermee dat de ‘fabrieksarbeiders’ tussen het publiek in kwamen zitten, toen de geallieerden de fabriek bevrijd hadden. We kregen te horen dat we nu vrij waren en konden gaan waarheen we wilden. Daarop zongen de acteurs het lied Yerushalayim (indrukwekkend ook) en vertrokken. Ze liepen terug de fabriek in en kwamen niet terug.
Applaus en bloemen pasten ook niet zo goed bij de sfeer.
In betrekkelijke stilte verlieten we onze plaats en zochten de auto weer op.
Ate Klomp


Een glimlach om je mond

fotobehang grote glimlach emoticon.jpg
We passen weer een week op onze kleinzoon, die het syndroom van Down heeft. Het is wel een beetje spannend want dat is twee jaar niet gebeurd door de Corona. Maar nu zal het er toch van komen. Hij, twee jaar ouder en wij ook, maar of dat laatste altijd positief is valt te betwijfelen. Twee jaar ouder bij hem kun je zien aan meer zelfstandigheid, beter kunnen laten zien wat je bedoelt, beter begrijpen wat er gezegd wordt en een langere lengte. Nog niet volgroeid, maar toch al even groot als of groter dan ik.
Gelukkig is hij een aardige Down die je met een beetje humor kunt verleiden bepaalde handelingen uit te voeren. Een aantal dingen blijven hetzelfde: lekker slapen, lekker eten en daar is nu bijgekomen lekker kattenkwaad uithalen.
We hebben hem niet de hele dag om ons heen, want dat is niet zo makkelijk. Overdag gaat hij naar de opvang en ik sta er elke keer weer verbaasd van wat ze daar allemaal met die kinderen kunnen doen. Een groepje van een stuk of acht, maar wel heel bijzondere kinderen. En ze doen van alles met ze. Speeltuin, bowlen, buiten spelen, knutselen. Geen moeite is hun te veel en de kinderen gaan er met plezier naar toe. Ook heel belangrijk. Een hele grote pet af voor de leiding van de opvang.
Vandaag heeft hij, natuurlijk onder begeleiding, een cake gebakken. De andere kinderen bakten koekjes, maar omdat hij alleen maar glutenvrij mag eten hadden ze voor hem bedacht dat ie maar een cake moest bakken. En dat komt klaar. We hebben hem mee naar huis gekregen en al geproefd. Heerlijk!!!!! En lekker eten kan ie ook.
Het is steeds weer een echt een toneelstuk aan tafel. Hij schept eerst zelf een flink bord op. Aardappels zijn favoriet. Als zijn bord half leeg is begint hij al rond te kijken of er nog iets in de pannen zit. Dat is meestal wel het geval. Dan zie je een voorzichtig handje over de tafel glijden die zich om de aardappelpan vouwt en de pan dan voorzichtig naar zich toe trekt. Dat zelfde voorzichtige handje bekommert zich over de groente pan die ook naar zijn bord wordt geschoven. Tenslotte ondergaat het zure komkommerstukjeskommetje het zelfde lot. Hij zit te glimmen met de pannen om zich heen als een kasteelheer in zijn kasteel om vervolgens alles op te eten. Tegenwoordig kookt Beppe zo dat er niets overblijft om te voorkomen dat ie zich overeet. Als hij de juskom in het vizier heeft grijpen we in. Hij zou hem zomaar leeg kunnen drinken. Dat moet maar niet. Het zuur van de komkommer is oké en dat verdwijnt dan ook richting zijn buik. Het is elke keer weer een vermaak om te zien wat er gebeurt. Het aardige is dat ie je van te voren waarschuwt door een ondeugende glimlach op zijn gezicht. Dan weet je dat er wat gaat gebeuren. En het mooie is dat het eten altijd schoon opgaat.
Op straat denken de mensen om hem. Het kan zo maar gebeuren dat een stoere bink aangescheurd komt in een ronkende auto, maar zodra hij ons ziet stopt hij en mogen wij eerst oversteken. Wat is het dat Downs zelfs bij stoere geharde en meestal getatoeëerde blitse binken er voor zorgen dat het lammetje in hen naar boven komt om vrij baan te geven. Zoiets tovert toch vanzelf een glimlach op je gezicht.
Hans Dorsman


Neem je plaats inneem_je_plaats_in.jpg
Ik sta voor de boekenkast in de hal van de Zuiderkerk. De kopieermachine is bezig met het afdrukken van de MenorAviertjes. Mijn oog valt op de titel van een boek ‘Neem je plaats in’ van Arenda Haasnoot. Een boekje uit 2011.
De samenvatting op het kaft daagt je uit: In elke plaats zie je ze staan, kerken. Vroeger dé plaats om in geloof samen te komen. Horen deze kerken bij een ver verleden en het verval van het christendom?
Al decennialang lopen veel traditionele kerken getalsmatig leeg. Volgens de schrijfster is dit onlosmakelijk verbonden met de geestelijke leegte die zij binnen de kerken ervaart. Voor velen is kerkgang een verplichting of iets dat er bij hoort vanuit het verleden. Het roepingsbesef dat God je vraagt om je plek in zijn gemeente in te nemen lijkt te zijn verdwenen.
In dit boek spreekt zij het verlangen uit naar een levende kerk, die begint bij individuele mensen die leven vanuit Gods Geest en zich uitstrekt naar gemeenschappen en plaatsen. Maar ook naar oude plaatsen waar al eeuwenlang het Evangelie wordt verkondigd. Deze mogen niet verdwijnen maar moeten bruikbaar blijven voor de werking van Gods Geest en kunnen zelfs opbloeien.
Vanuit haar persoonlijke zoektocht roept zij haar lezers op om hun plaats in te nemen in de kerk en de samenleving. Ook binnen de PGD is het niet anders. In vrijwel elke Geandewei staan oproepen voor vrijwilligers om zich in te zetten voor activiteiten van de kerk. Vaak lukt dat. Soms ook niet. Je ziet wel steeds dezelfde namen. Dat is verontrustend. De breedte verdwijnt en daarmee het gemeenschapsgevoel en de betrokkenheid. De kerk wordt minder voelbaar en zichtbaar, zowel naar binnen als naar buiten.
Chris de Haan


Een vaas met tulpen

Ik ben nog nooit naar de Keukenhof geweest. Al heel vaak heb ik gedacht: ‘daar moeten we toch eens een kijkje nemen’. Die prachtige bloemenweelde, waar zoveel mensen altijd met zoveel liefde aan werken. Elk jaar weer is het een lust voor het oog, in het bijzonder al die kleuren tulpen. Petje af voor zoveel passie voor bloemen, én voor al dat harde werk dat gedaan wordt!
Deze week verscheen elke dag op mijn telefoon een boodschap uit mijn agenda: ‘Nadenken over een stukje voor ‘Oostenwind’. En dat is net als met Sinterklaasgedichten: de inspiratie komt vaak op het laatste moment. Zo ook deze keer. Zondag even lekker onderuit op de bank, keek ik naar het boeketje tulpen op tafel en ik dacht opeens: ‘Dat is het, daar is mijn onderwerp!’
Zoals jullie weten, groeien tulpen in de vaas door. En daarvoor hebben ze veel water nodig. Ze zijn in een paar dagen dan soms wel 10 centimeter gegroeid.
Nu moet ik bekennen dat de tulpen van mijn boeketje de koppen lieten hangen. Er was namelijk helemaal geen water meer in de vaas. Tja, en dan gaat het natuurlijk niet goed. Dus heb ik de vaas vlug bijgevuld en ja, hoor, ze staken later de kop weer enigszins op.
En zo kun je ook kijken naar onze gemeente in Drachten.
Groeien, dat weten we, dat is de laatste jaren niet meer aan de orde. Maar, als we de koppen niet willen laten hangen, dan hebben we – overdrachtelijk gezien – wél water nodig. En hiermee bedoel ik: werkers! Want wij moeten zelf óók water - lees werkers - zijn. Ik las in Geandewei en de nieuwsbrieven dat er in de hele gemeente onder anderen contactpersonen gevraagd worden. En er zullen zonder twijfel ook wel meer vrijwilligers in andere functies aan de slag kunnen. Hopelijk komt er in ieder geval veel respons op de oproep voor contactpersonen en geven velen, mannen en vrouwen, zich op voor dit belangrijke werk. Want ze zijn wat je kunt noemen het cement van de kerk, de contactpersoenen, de ogen en de oren die de gemeenteleden ten dienste staan, samen met de vele anderen die werkzaam zijn binnen onze gemeente. Harde werkers zijn het! Je zou ze kunnen noemen: het water voor de tulpen! Geef je daarom op en doe mee!
Opdat wij de koppen maar niet laten hangen en we met z’n allen fier rechtop blijven staan!
Hartelijke groeten,
Coby de Vries


Ubi caritas….
Je moet ook echt een keer meegaan hoor! Mijn nieuwe verkering was heel erg enthousiast. Ik mocht ook mee naar Taizé. Het zal in 1974 zijn geweest, vlak voor ons trouwen. Aleid was in dat jaar al met een groep jongeren uit Winterswijk naar Taizé geweest.
Pasen in Taizé, je kon het je nauwelijks voorstellen. Tienduizenden jonge mensen van onze leeftijd; praten, zingen, bidden en feesten. In de zomervakantie was het ook voor mij zover.
Vanuit Nederland met de trein naar Frankrijk, overstappen in het grote Parijs op de trein naar Lyon en dan nog een laatste stukje met de bus vanuit Chalon-sûr-Saône. Na een hele dag treinen kwamen we kapot aan maar dan had je ook wat...fantastisch!
Drie keer per dag naar de kerk (vrijwillig!). Diensten zonder preek en met een minuten durende stilte. Iedere middag zangles op vrijwillige basis en dan prachtige liederen vierstemmig eindeloos herhalen.
Drie maaltijden per dag van een soberheid die ik gezien mijn lengte niet voor voedzaam had gehouden.
Het maakte een verpletterende indruk op mij. Zoveel jonge mensen die allemaal met geloven en leven in de maatschappij bezig waren!
Voor het eerst van mijn leven mensen had ik contact met mensen uit India, Amerika, en zelfs uit Friesland.
Uit het zaadje dat daar is geplant is uiteindelijk een plant gaan groeien. Wij zijn er samen een paar keren geweest en ook onze kinderen zijn er heen gereisd. Een groot aantal malen mocht ik zelfs met leerlingen van het Ichthus College in een groep naar Taizé.
Ik heb er hele warme herinneringen aan en ik weet dat sommigen daar, in Frankrijk, nieuwe afslagen op de weg door het leven hebben genomen. Je kunt, om eens een afgezaagd spreekwoord te parafraseren, iemand wel uit Taizé halen maar je haalt Taizé niet uit iemand!
Het komt nog regelmatig voor dat er liederen uit Taizé in een kerkdienst langskomen. Zelfs in ons nieuwste liedboek zijn liederen uit de diensten in Frankrijk opgenomen.
Onlangs hebben we samen nog weer een Taizé-viering meegemaakt. Gelukkig is er een actieve groep mensen die zo nu en dan in de Grote Kerk een dienst organiseren. Dan is er weer tijd voor de stilte en de vertrouwde liederen in de taal van het land waarin ze, vaak door jonge mensen, geschreven zijn. Het voelt als een warm bad met nostalgisch water.
En steeds weer wordt de tekst van één van de liederen die we al in Taizé zongen concreet. Ook nu met een oorlog vlakbij en Pasen voor de deur. Ubi caritas et amor, Deus ibi est.
Waar liefde en liefdadigheid zijn, daar is God.
Ik hoop op een snel einde van mensonterende oorlogen en wens u ondanks al het leed in Oekraïne een goede Stille Week.
Bart Dertien


OGENBOMEN

vaak loop ik in het park
langs oude majestueuze bomen
met allemaal ‘ogen’ op hun stam
ze kijken me heel ernstig aan
soms denk ik dat ze mij begroeten
dan groet ik natuurlijk ook terug

deze bomen reiken hoog
boven de andere bomen uit,
zo krijgen ze het meeste licht
maar lopen (dan) wel een risico:
hoge bomen vangen veel wind
en dan gaat het regelmatig mis

bij een storm 10 jaar geleden
waaiden er een groot aantal om
langs de steile waterkant
twee zijn gelukkig blijven liggen
en in het zand tussen de wortels
nestelen ijsvogels elk jaar opnieuw

‘mijn’ trotse dromende ogenbomen
staan na zware februari-stormen
gelukkig nog fier overeind
ik groet ze nu met nóg meer eerbied
blij dat ze het hebben overleefd
ze kijken me tevreden na…

Aleid Dertien
maart 2022

NB: In Wikipedia heb ik ‘Ogenbomen’ opgezocht:
Het zijn ‘grauwe abelen’: een kruising van de witte abeel en de ratelpopulier, ze worden vaak in parken aangeplant.


De reis van de symbolen
‘Het stopt nooit. Een troostrijke gedachte’, schrijft Chris in Geandewei, 4 februari 2022. Ze ontroerden me, deze woorden. Ze zijn de afgelopen weken steeds met me meegegaan. Waarom? Ze staan in de context van het - met pijn in het hart - liturgisch afscheid nemen van de voorwerpen die in de Menorah hebben gestaan, tot en met het prachtige kerkorgel. Maar tegelijk kunnen we lezen over de verwondering.
De voorwerpen, ze zijn op reis gegaan, kwamen terecht in andere ruimten om opnieuw te worden gebruikt waarvoor ze zijn bedoeld. Ze vormen een eindeloze verbinding met de woorden, de verhalen van de Eeuwige en de mensen. Ik denk bijvoorbeeld aan de kelk, aan de zevenarmige kandelaar. Eeuwenoude symbolen die ons - als we ons concentreren op de woorden die erbij horen - met elkaar verbinden. Ze bevestigen de bijzondere band tussen de mensen onderling en wat zij samen ervaren in het goddelijke. ‘Het stopt nooit’. En dat is zo bijzonder. Dat is wat mij ontroert.
En als vanzelf moet ik terugdenken aan de Jorwerter amulet, ook een symbool, meer dan duizend jaar oud. Hij wordt beschreven in het mooie artikel van dr. Jan Dirk Wassenaar, vrijdag 19 november 2021. De amulet is opgegraven in de 19e eeuw en van kalksteen gemaakt, zo las ik.
Maar ik besef dat kalksteen niet voorkwam in de 9e/10e eeuw in Jorwerd. De amulet kwam van ver en moet zeer waardevol zijn geweest voor wie hem mocht dragen. Iemand heeft ooit afscheid genomen van de amulet. Maar hoe en op welke manier, dat raakt me. Zo kon het dus ook gaan met voorwerpen die een bijzondere betekenis hebben gehad voor mensen in hun verbondenheid met elkaar en met het goddelijke: in de Friese klei bewaard.

Hoelang de amulet in de grond heeft gelegen, weet niemand. Maar nu kunnen wij in het Fries museum dit gedenkwaardig voorwerp uit het vroege christendom bewonderen, vroeg ja, want uit de Merovingische periode (600 - 900). Een tijd waarin veel mensen in het Europa van toen zich verbonden moeten hebben gevoeld met verhalen van de mensen van weer vele eeuwen daarvoor. ‘De troostrijke gedachte’ van Chris wordt er nog sterker door.
Als ik inzoom op de details van de amulet, neemt opnieuw de ontroering bezit van mij. Ik voel me aangeraakt. Ik zie de kelk, vastgehouden door een Christusfiguur. En de letters A(lpha) en O(mega), het kruisanker en een soort gordiaanse knoop in de vorm van een gevlochten kruis. Maar ook de zon en de maan.
Even ben ik stil en ik denk aan de eerste drager van de amulet. Nu sta ik oog in oog met de kostbare verhalen die er toen in doorklonken voor hem/haar. Nu worden ze mij getoond. En dat alles omringd met de woorden ‘Ik ben want Ik ben er’ , ‘Ik zal er zijn’.
Dank jullie wel, Chris de Haan en Jan Dirk Wassenaar voor jullie artikelen, die mij inspireerden tot deze Oostenwind.
Met hartelijke groet,
Netty Feenstra

 


Een troostrijke gedachte
Bij het liturgisch sluiten van de Menorah heeft de toenmalige wijkgemeente Oost met pijn in het hart afscheid genomen van de voorwerpen en symbolen die jarenlang een wezenlijk onderdeel waren van het kerkzijn in Oost.
Een aantal voorwerpen zijn meegegaan naar de andere kerken van de PGD. Sommige gemeenteleden hebben spullen gekocht die voor hen een bijzondere betekenis hadden of juist door de sluiting hebben gekregen. Met het verdwijnen van de liturgische voorwerpen is het gebouw voor de erediensten veranderd. Er komen geen mensen meer, de ziel is eruit. De kerkzaal is leeg, stil en verlaten.
Blijkbaar zijn mensen en liturgische voorwerpen mee het wezen van de kerk. Daar ontmoeten zij elkaar en voelen de verbondenheid met God en met elkaar.
De mensen zoeken elkaar nu in andere kerken en vormen samen weer nieuwe gemeenschappen met andere liturgische voorwerpen en ongeveer dezelfde rituelen.
De liturgische voorwerpen en onderdelen van de Menorah zijn begonnen aan een zwerftocht. Kerkbanken, tafels en stoelen staan thuis bij mensen. Het orgel is verhuisd naar Frankrijk en zal daar straks de lofzang gaande houden. Steeds zullen herinneringen worden opgeroepen bij het zien, het horen of het voelen van deze voorwerpen. Zij vormen opnieuw een wezenlijk onderdeel van de liturgie en van de beleving, alleen op een ander plaats. Het stopt nooit. Een troostrijke gedachte.
Chris


De kronkelhazelaar

’t Is bijna eind januari en een zachte winter; heel voorzichtig beginnen de hazelaars alweer een beetje te bloeien. Zo ook de kronkelhazelaar in onze tuin. Tussen de takken hangen kleine gele trosjes die de lente aankondigen, maar ook vetbollen, kokosnoten met voer en pindakaas, waar de vogels heerlijk van kunnen genieten als het nog winterkoud is. En het is een aardigheid om naar te kijken, al die bedrijvigheid.

Deze boom staat al 31 jaar in onze tuin, en daarvoor stond ‘ie al wel een jaar of 18 bij ons vorige huis in de voortuin. Onze ouders hadden bedacht om hun drie kinderen zodra ze een huis met een tuin kregen een mooi boompje te geven, een ‘huwelijksboom’. Ze gaven hem met de wens erbij voor een lang en gelukkig leven samen en dat – als symbool hiervan - het kleine boompje maar mocht uitgroeien tot een mooie, grote boom.

En die wens is uitgekomen! Onze ouders zijn er niet meer, maar de boom staat er nog steeds, volgt de seizoenen, groeit en bloeit en herinnert ons geregeld aan hun goede wensen. Zo nu en dan wordt hij een beetje gesnoeid, en gebruiken we de takken voor bloemstukjes of een Paastak.

Zo hebben in de Menorah voor Pasen al enkele keren een paar van haar grote takken gestaan met gele briefjes eraan, u weet wel, voor een attentie voor oudere en zieke gemeenteleden.

Zoals de naam al zegt: de takken van de boom zijn kronkelig, ze hebben grillige vormen. En zo is het leven ook. Er komt echt niet alleen geluk op ons pad, maar we krijgen ook te maken met teleurstellingen en verdriet. Dat hoort er allemaal bij, dat geldt voor iedereen; ieder huisje heeft zijn kruisje. Omdat Chris bijna 40 jaar veel en vaak van huis is geweest, was ik veel alleen en soms was dat moeilijk. Sommige mensen vonden dan dat ik ‘dat toch van tevoren had geweten? Ik had daar toch voor gekozen?’  Maar dat is niet zo; niemand weet van tevoren wat het leven je zal brengen.

En met die kronkels, die zijwegen die we niet kunnen voorzien, zullen we moeten ‘dealen’.

Momenteel worden we allemaal wat moedeloos van de corona-pandemie. Er zijn veel beperkingen en dat is op zijn zachtst gezegd niet leuk. Veel kerkmensen verzuchten: wat missen we het naar de kerk gaan, de ontmoeting met elkaar! En dat hadden we ook niet voorzien. Het is als de takken van onze huwelijksboom: er is geen rechte lijn van A naar B; er zijn kronkels en zijwegen en we weten niet hoe het allemaal zal worden in de toekomst. En dan is het een kwestie van volhouden en geloven in een goede afloop. En dat wens ik ons allen toe: dat dit allemaal goed zal aflopen en dat onze gemeente dan - net als onze kronkelhazelaar - na de ‘corona-kou’ weer volop zal gaan bloeien!

Hartelijke groeten,

Coby de Vries


Over levenskunst…
Mij overviel een gevoel van moedeloosheid toen wij in de maand december toch weer in een soort van lockdown terecht kwamen. Natuurlijk voelde ik ook zelf de teleurstelling.
Alles had er zo veelbelovend uitgezien en we waren weer, al was het nog steeds een beetje onder voorbehoud, bezig met het maken van plannen.
Ik was teleurgesteld, maar nog meer dan eerst was ik begaan met o.a. de horeca, de cultuur en theater, en de evenementensector en nog vele andere, hier niet genoemd, die weer terug waren bij af en opnieuw tegenslag moesten incasseren.
Net als de meeste mensen onder ons hoor ik bij de generatie van ‘na de oorlog’, die nooit iets anders heeft gezien dan vooruitgang. Mijn ouders waren jong in de tijd van de wederopbouw en ik groeide op in een tijd van toenemende welvaart, waar wij met z’n allen steeds meer van gingen genieten, maar die wij ook steeds meer vanzelfsprekend zijn gaan vinden.
En nu valt het ons zwaar om te accepteren dat al die geneugten even niet beschikbaar zijn. Wij vinden dat wij daar recht op hebben en wee degene die ze ons ontneemt.
Intussen zijn er miljoenen medemensen, die al dat moois altijd ontberen.
Het geduld van de een is groter dan dat van de ander, maar je hoort steeds vaker dat ‘de rek eruit is’ en mensen ‘er klaar mee zijn’.
Hoe doen die miljoenen medemensen dat toch, die dagelijks moeten zien te overleven in een onzeker en bedreigd bestaan?
Ik vermoed dat mensen in moeilijke leefomstandigheden een realistischer kijk hebben op het leven. Zij verwachten naast voorspoed ook tegenslag. Zij weten dat pijn en teleurstelling ook bij het leven horen.
Wij ook wel, maar toch…
Het doet mij denken aan het lied ‘De rozentuin’ van Paul van Vliet.

(Citaat)
Maar ik heb je nooit een rozentuin beloofd,
ik heb alleen gezegd dat er een tuin zou komen
en zo lang jij blijft lopen met die rozen in je hoofd
moet je misschien maar weg, om pas terug te keren
als je ook kunt houden van het onkruid en de stenen
en de schrammen en de blaren
op mijn handen ook kunt zien
en als alles mee wil zitten
en wij samen blijven spitten
groeit er op een dag;
één roos,
misschien!

Gerda Bekius